Jacquelien de Savornin Lohman

Flow Magazine nr 3, 2014

Jacquelien de Savornin Lohman, geboren in 1933, leidt een inspirerend leven.
In 1960 ging ze, geheel tegen de heersende norm in, als getrouwde vrouw aan de slag als advocaat. Na haar pensionering – een carriere als onderzoeker en politicus later – werd ze cabaretier. “Het is moeilijk je los te rukken van clichés. Er zijn altijd krachten die je op je plek willen houden.’

VERLEDEN
‘Als klein meisje was ik er lang van overtuigd dat ik ooit in een jongetje zou transformeren. Mijn oudere broers maakten me zelfs wijs dat er een piemeltje aan mijn lichaam zou groeien. Ik was een rauw kind, klom in bomen, dat soort dingen.
Ik ben geboren in Buitenzorg, op Java. Daar werkte mijn vader als hoofdambtenaar bij Economische Zaken. Ik was dol op hem, een lieve, opgewekte man. Samen gingen we vaak wandelen in de Kampong, daar maakte hij altijd een avontuur van. We maakten een vuurtje met een vergrootglas in de zon, en als het regende, plukten we een pisangblad voor boven ons hoofd.
Toen ik acht jaar oud was brak de oorlog uit. Mijn vader werd als krijgsgevangene tewerk gesteld, later werden mijn twee oudere broers naar een mannenkamp afgevoerd. Zelf verbleef ik bijna vier jaar lang met mijn moeder en mijn zusje in een interneringskamp, onwetend of de anderen nog in leven waren. Ons grootste bezit was de hutkoffer van mijn moeder, en in die koffer bewaarde ze al die jaren mijn padvindersuniform, door haar zelf gemaakt.
Mijn vader heb ik nooit meer terug gezien, hij bezweek bij de Pakanbaroe-spoorlijn.
Met mijn broers zijn we herenigd. Omdat mijn moeder weduwe was, konden wij december 1945 met de eerste boot naar Nederland. Er werd niet meer over het kamp gesproken. Mijn moeder móest verder, dat was haar overlevingsstrategie. Zelf ontwikkelde ik in die tijd ook een enorme overlevingskracht. In het kamp heerste nog een saamhorigheid die het leven draaglijk maakte, maar in Nederland was het kil. ‘Jullie hadden het tenminste warm,’ zeiden mensen regelmatig als ik vertelde dat ik in een Jappenkamp gevangen had gezeten. Dat we honger hadden en zweren over ons hele lichaam, daar wilden mensen niets van weten. Ik had geluk gehad, ik moest niet zeuren. Uiteindelijk verzon ik maar een standaard verhaal. Dat ik óók de hongerwinter had mee gemaakt in Nederland, en dat ik óók tulpenbollen had gegeten. Toen was ik van de kille reacties af. Maar mijn kabouterpak deed ik bij de padvinders niet meer aan, want dat pak, dat was raar. Ik moest me maar aanpassen. Deze houding was voor mij een teleurstelling.
Je kunt maar beter een vergiet zijn, zei mijn oudste broer altijd. Hij had gelijk, verdriet moet je niet laten gisten. Ik heb maar kort geworsteld met het verdriet uit mijn jeugd. Toneelspelen, liedjes zingen, gewoon een beetje gek doen, dat is mijn uitlaatklep. Ook op de middelbare school en later tijdens mijn studie rechten in Leiden, altijd loopt toneel als een rode draad door mijn leven. Al die tijd leek het me maar beter niet op het podium te gaan staan. Ik vond mezelf gewoon niet mooi genoeg.
In Leiden leerde ik Rob kennen, we zaten samen in het toneelbestuur. Toen ik al advocaat was, kwamen we elkaar weer tegen, we werden dol verliefd en zijn getrouwd. Maar een getrouwde vrouw behoorde niet te werken in 1960,en als moeder liet je dat al helemaal uit je hoofd. Tijdens sollicitatiegesprekken moest ik beloven dat ik geen kinderen zou krijgen. Toch deed ik dat niet, ik was te eerlijk. Omdat ik per se iets nuttigs wilde doen, startte ik een advocatenkantoor aan huis. Mijn cliënten moesten met hun hoofd door de was die in het trapgat hing. Joke, een meisje van de huishoudschool, paste op de kinderen en regelde het huishouden. Niet werken was geen optie.
Voor de noodzakelijke beweging zat ik bij een gymnastiekclubje op zaterdagochtend. Alleen mannen deden mee, het kwam kennelijk niet in andere vrouwen op ook te gymmen. Die mannen vonden mijn aanwezigheid geen probleem, maar hun vrouwen waren razend, hoe haalde ik het in mijn hoofd? Ik vond die zaterdagochtend vooral heel handig, dus ging ik er gewoon mee door. Ik ben, denk ik, soms graag een beetje stout.’

HEDEN
In 1971 kreeg ik een parttime baan als onderzoeker aan de universiteit van Leiden. Vanaf die tijd kon ik mijn werk makkelijker combineren met het moederschap. Maar Rob stimuleerde me maatschappelijk actief te blijven. Ik was betrokken bij de oprichting van D66, de Coornhertliga, schreef een krantenrubriek en promoveerde. Mijn man vond het prima en zorgde als het nodig was voor onze kinderen naast zijn baan in de journalistiek.
Het is mijn calvinistische opvoeding vermoed ik, dat idee dat je al je tijd goed moet benutten. Toen mijn zoons en dochter nog thuis woonden, had ik ook niet heel veel vriendinnen, dat paste niet in mijn dagelijkse bestaan. Nu combineren mijn kinderen hun gezinsleven met een baan en met een drukke sociale agenda. Geen wonder dat iedereen het zo druk heeft.
Toch is Rob op de ene van de andere dag, na 30 jaar huwelijk, vertrokken, hij wilde zelfs geen contact meer. Door een reorganisatie op mijn werk verloor ik kort daarna ook nog eens mijn baan. Ik was ontredderd en totaal de weg kwijt. Mijn toekomst was in één klap weg, maar het was ook een definitieve breuk met mijn verleden. Dat leverde me uiteindelijk heel veel op.Met een vriendin ging ik naar een workshop badkamer zingen van Jan Kortie, een zogenaamde stembevrijder. ‘Zorg dat je bij je gevoel komt,’ zei hij. Ik was altijd gewend rationeel te zijn, maar Jan moedigde me aan. Dankzij hem durfde ik te voelen, en helemaal vrij te zijn. Een workshop tijdens Buitenkunst gaf de doorslag. Aan het einde van die workshop moest elke deelnemer optreden, ik viel uit de toon tussen de jonge mannen, maar ik kreeg waardering. Dat was de bevestiging die ik nodig had.
‘Zoek maar een pianist en een zaaltje,’ aldus Jan Kortie, ‘en een vriendin die kaartjes verkoopt.’ Voor vijftig gulden huurde ik het piepkleine Parooltheatertje, mijn kleinzoon Just regelde het licht. Dat zaaltje was telkens uitverkocht. Daarna ging ik naar het Bettie Asfaltcomplex en zo belandde ik in steeds meer zaaltjes, tot ik bij de Wereld Draait Door aan tafel zat. Inmiddels presenteer ik mijn vierde programma ‘Liedvermaak’ in het hele land.
Mijn vader was van adel, ik daarmee dus ook. Sommige mensen kijken tegen je op als ze er eenmaal weet van hebben. Ik ben niet met een gouden lepel in mijn mond geboren, dankzij een suikeroom kon ik studeren. Maar ook al doe je nog zo gewoon, soms word je al vooraf als arrogant bestempeld.
Het is moeilijk je los te rukken van clichés. Er zijn altijd krachten die je op je plek zouden willen houden. Je bent advocaat, dus kan je niet de politiek in. Je bent moeder dus je kan niet werken. Je bent vrouw, dus je mag niet bij een gymnastiekclub. En je bent politicus dus je kunt geen cabaretier worden. Iedere keer als ik die tegenkrachten voel, terwijl ik iets heel graag wil, zoek ik steun bij anderen die wél wat in me zien. Zo nu en dan sta ik even stil bij wat mij werkelijk beweegt. Waarom wil ik graag op de planken in de spotlights staan? Omdat het mijn passie is. Zo trotseer ik elke tegenkracht.
Kort na mijn scheiding had ik een paar gesprekken met een psychiater. Een fantastische man, nooit droeg hij een oplossing aan. ‘Het is verschrikkelijk..,’ zei hij alleen maar. En altijd aan het einde van het gesprek, als hij al in de deuropening stond, zei hij tot slot: ‘..maar het komt goed.’ Die zin, die heeft me daarna overal doorheen geholpen. Want hij heeft gelijk. Het komt altijd goed.

TOEKOMST
Misschien word ik wel honderd, maar even goed is het morgen allemaal voorbij. Voorstelling afgelast, cabaretier overleden. Op zich heb ik daar vrede mee, maar ik vraag me regelmatig af of ik nog steeds álles eruit moet halen wat er in zit, of toch achter de geraniums moet gaan zitten.
Een optreden ‘s avonds om half negen in Rotterdam betekent dat ik al vroeg in de middag van huis moet vertrekken. Uren in een theater zijn, is heel vermoeiend. Maar als ik nu stop met werken, en ik krijg over twee jaar weer de kriebels, dan kan ik niet opnieuw beginnen. Marijke, mijn impresario, heeft al optredens geboekt voor 2015.
Mijn kinderen willen dat ik bij hen in de buurt gaan wonen, nu kan ik nog een leven bij hen opbouwen. Maar ik wil niet. Hier in Amsterdam heb ik alles. Tuurlijk, er vallen vrienden af omdat je ouder wordt. Niet alleen omdat ze dood gaan, maar ook omdat je niet meer zo gelijk gestemd bent. Sommige leeftijdgenoten gaan liever wandelen. Door mijn werk blijf ik mezelf ontwikkelen en ontmoet ik telkens nieuwe, interessante mensen.
Het blijft wel lastig om een vriendschappelijke relatie met een man te hebben, er ontstaan toch altijd weer verwachtingen. Gelukkig heb ik twee mannelijke vrienden bij wie dat niet zo is, maar die vriendschappen zijn uitzonderingen. Ik zou wel graag een vriend willen, vooral om mee op vakantie te gaan. Eén keer had ik een leuke relatie met een man, maar die wilde trouwen. Dat zag ik niet zitten.
‘Het jachtseizoen is gesloten,’ zei actrice Annemarie Prins eens toen haar werd gevraagd naar haar liefdesleven. Je maakt jezelf zo ongelukkig als je blijft hunkeren naar een relatie die je simpelweg niet hebt. Je geeft jezelf juist vrijheid door dat verlangen los te laten. Een relatie vinden we zo vanzelfsprekend, ik moet me soms bijna verdedigen waarom ik géén relatie heb. Ooit moest een vrouw zich verantwoorden waarom ze geen kinderen had, nu moet je uitleggen waarom je geen relatie hebt.
Ik hoef niet bang te zijn dat ik een jongentje zal worden. Maar dat ik ouder word, is onvermijdelijk. Het is toch gek dat mensen daar tegenop kunnen zien.
De manier waarop je ouder wordt, hoe je als mens in het leven staat, dat heb je namelijk allemaal zelf in de hand.
Er zit altijd nog een kind in mij. Ieder jaar kampeer ik met een van mijn kleinkinderen, gewoon, in een tentje, met weinig middelen uit de natuur een beetje improviseren, en een beetje gek doen.
Natuurlijk heb ik minder energie, maar oud zijn heeft ook veel voordelen. Ik heb veel minder verantwoordelijkheden dan vroeger, en dat is heel bevrijdend. In een van mijn voorstellingen zing ik daarover:

Het hoeft niet meer het onrecht te bestrijden
wat maakt het uit die ingezonden brief
zinloos gebeld, zinloos gemeld wat kan het lijden
je mompelt zachtjes heb elkander lief….

Ik kan veel beter relativeren. Ik wil niet vooruit kijken, maar ik kijk ook niet achterom. Het heeft geen zin om te denken: was ik toch maar met die andere, brave man getrouwd. Ik probeer zoveel mogelijk in het moment te leven. Dat lukt me heel goed. Een glaasje wijn, kat op schoot, open haard aan. Die keuze durf ik steeds beter te maken.

NAAM: Jacquelien de Savornin Lohman
GEBOREN: Buitenzorg (Bogor) Java, 1933
BEROEP: cabaretiere, (voormalig advocaat, hoogleraar en politica)
Na haar studie rechten werkte Jacquelien de Savornin Lohman als advocaat, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en hoogleraar Jeugdhulpverlening aan de universiteit van Amsterdam. Nog steeds begeleidt ze studenten bij hun afstudeerscriptie.
Ze was betrokken bij de oprichting van D66, in 1992 was ze voor die partij vier jaar lid van de Eerste Kamer. Na haar pensioen koos ze voor het kleinkunstpodium.
Dit jaar reist ze met haar vierde cabaretvoorstelling, Liedvermaak, door Nederland.
Jacqueliende Savornin Lohman was dertig jaar getrouwd met journalist Rob Soetenhorst. Samen kregen ze drie kinderen, Wirt, Wytzia en Bas. Ze heeft zeven kleinkinderen.